Hier kunt u aangeven op welke middelen u wilt zoeken. U kunt meerdere middelen selecteren door de Control-toets ingedrukt te houden terwijl u klikt.
Geef hier aan van welke auteurs u publicaties wilt zoeken.
Bent u op zoek naar een bepaald onderwerp of een bepaalde term, voer dan een of meer trefwoorden in dit zoeksysteem in.
Deze functie maakt het mogelijk om studies uit een bepaald jaar of een bepaalde tijdspanne te selecteren.

zoek in publicaties
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

middelen ?
auteurs ?
steekwoorden ?
datum ?
 van
 tot

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

CVO - Onderzoek, Training & Advies  .  Montalbaendreef 2, 3562 LC Utrecht  .  T +31 30 2381 495  .  E cvo-info@drugresearch.nl  

english version

Door het lot verbonden. Een beschrijvend onderzoek naar zelfhulp bij gokverslaving

Fris, M.

Utrecht: Centrum voor Verslavingsonderzoek, Universiteit Utrecht, 1999
isbn 90-71772-29-2 . . € 32

bestellen / volledig rapport downloaden

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

Samenvatting In samenwerking met de Stichting Anonieme Gokkers Omgeving Gokkers Nederland (AGOG) en met subsidie van het Charles Wright Millsfonds, Faculteit Sociale Wetenschappen Universiteit Utrecht, heeft het Centrum voor Verslavingsonderzoek (CVO) een beschrijvend onderzoek uitgevoerd naar de zelfhulpmethode van de AGOG. Hieraan gekoppeld heeft een satisfactie-onderzoek onder de deelnemers plaatsgevonden. De centrale onderzoeksvraag luidt: wat houdt de zelfhulpmethode van de AGOG in en hoe waarderen de deelnemers deze vorm van hulpverlening?

Voor de data-verzameling is gebruik gemaakt van de volgende onderzoeksmethoden.
1. Analyse van literatuur en documenten over zelfhulp;
2. Interviews met sleutelfiguren binnen de AGOG (N=5);
3. Interviews met gespreksbegeleiders van verschillende AGOG-afdelingen (N=12);
4. Observaties van groepsavonden bij verschillende AGOG-afdelingen (N=10);
5. Afname van schriftelijke vragenlijsten bij (ex-)leden: AG-ers (N=169), OG-ers (N=81) en gespreksbegeleiders (N=45).

Profiel van de AGOG Grondleggers van de georganiseerde zelfhulp op het gebied van verslavingen zijn de Alcoholics Anonymous of Anonieme Alcoholisten (AA), ontstaan in de jaren dertig in de VS. Deze beweging is de voorloper van de Gamblers Anonymous (VS, 1957), oftewel de Anonieme Gokkers (AG). Zij signaleren als eersten de stijgende gokproblematiek in Nederland en bieden hierbij hulp. In 1981 wordt in Amsterdam de eerste zelfhulpgroep voor gokverslaafden opgericht, in 1985 gevolgd door een tweede groep, in Almelo. In 1988 ontstaat in Eindhoven - tegelijkertijd met een groep voor gokkers - de eerste groep voor de mensen uit de directe omgeving van gokverslaafden: de Omgeving Gokkers (OG). In 1991 gaat een aantal AG- en OG-groepen uit het hele land samen in de koepelorganisatie Stichting AGOG Nederland. Anno 1999 draaien groepen in meer dan twintig afdelingen, verspreid over het land. De meerderheid heeft zowel (meerdere) groepen voor de AG als de OG; negen afdelingen hebben (nog) geen OG-groep.
Doel van de AGOG is het bieden van hulp door middel van lotgenotencontact in zelfhulpgroepen aan gokverslaafden en aan mensen uit de directe omgeving van gokverslaafden. De stichting stimuleert het ontstaan en het in stand houden van plaatselijke afdelingen met - autonome - AG- en OG-groepen, door middel van het scheppen van organisatorische en financiële randvoorwaarden voor het werk van deze zelfhulpgroepen. Daarnaast streeft de AGOG naar voorkomen en terugdringen van gokverslaving door voorlichting en preventie; door belangenbehartiging en door consultatie en advies.

Profiel van de leden Wat betreft hun demografische achtergrond, valt op dat de AG voor negentig procent bestaat uit mannen, van de OG-respondenten is tachtig procent vrouw. Dit hangt samen met het gegeven dat de OG merendeels bestaat uit (vrouwelijke) partners en moeders van de AG-ers. Met name door de deelname van veel ouders van jonge gokkers, zijn AG-ers over het algemeen jonger dan de OG-ers. In doorsnee is de AG-er 31 jaar en de OG-er 42 jaar.
De helft van de respondenten woont in de plaats waar de groepsavonden zich afspelen; de andere helft moet reizen om de groepsavonden te kunnen bezoeken. Qua woonsituatie valt op dat de OG-ers naar verhouding vaker met een partner samenleven en de AG-ers vaker bij (één van) hun ouder(s) wonen. Ruim tweederde van de AG-ers heeft een partner, bij de OG-ers is dit ruim viervijfde. De OG-ers zijn naar verhouding vaker gehuwd en hebben ook vaker kinderen dan de AG-ers. AG-ers zijn vaker alleenstaand.
Eenvijfde van de AG-ers is momenteel nog bezig met een (vervolg)opleiding, tegen eentiende van de OG-ers. Het overgrote deel van de leden heeft een (parttime) baan, de AG-ers relatief vaker (80%) dan de OG-ers (68%).

De AG-respondenten waren in doorsnee zeventien jaar oud toen ze voor het eerst gokten. Meer dan negentig procent speelde voornamelijk op kansspelautomaten. De meerderheid (57%) gokte in de automatenhal, anderen gokten in de snackbar of het café. Een enkeling bezocht het casino of een restaurant. Negen van de tien AG-ers gokten in hoofdzaak alleen.
In het jaar voordat ze bij de AGOG kwamen, gokte ongeveer eenderde van de respondenten gemiddeld twee tot drie keer per week, eenzelfde deel gokte vier tot zes keer per week en een kwart gokte dagelijks. Eentiende van de AG-ers gokte één keer per week of minder vaak. Per keer werd ongeveer vier uur aan het gokken besteed. Gedurende de gokperiode heeft de doorsnee AG-er naar eigen schatting veertigduizend gulden aan het gokken uitgegeven.
Over het algemeen beschouwen de AG-respondenten zichzelf als gokverslaafd. De gemiddelde duur van het gokken bedraagt tien jaar; in doorsnee hebben de respondenten acht jaar gegokt. Het duurde gemiddeld vijf tot zes jaar alvorens de gokkers zich realiseerden dat ze verslaafd waren. In doorsnee duurde dit ruim drie jaar.
Viervijfde van de respondenten heeft in de periode van het gokken - voordat ze bij de AGOG kwamen - één of meerdere keren geprobeerd te stoppen, op verschillende manieren: op eigen kracht, via de reguliere (verslavings)zorg en/of met behulp van partner, familie of vrienden; enkelen waren al eerder in aanraking geweest met zelfhulp. Het grootste gedeelte van degenen die hebben geprobeerd te stoppen heeft negatieve ervaringen. Ze vielen - soms na lange tijd te zijn gestopt - (steeds) terug in het oude verslavingsgedrag.
De meeste gokkers komen vroeg of laat in de problemen, die overigens niet altijd een (rechtstreeks) gevolg hoeven te zijn van de gokverslaving. Meer dan driekwart van de AG-ers heeft wanneer ze bij de AGOG komen financiële problemen. Van hen heeft veertig procent momenteel nog schulden. Meer dan de helft heeft op dat moment problemen met partner, gezin en/of familie. Een kwart tot de helft heeft (daarnaast) te kampen met gevoelens van depressie, wanhoop, eenzaamheid en/of isolement en ervaart problemen op het werk en met andere mensen uit de omgeving.

Voor de OG is de ontdekking dat een partner, kind of ander familielid gokverslaafd is vaak een grote schok. Meer dan veertig procent is er zelf achter gekomen, bijvoorbeeld doordat er steeds geld verdween of doordat er leugens en niet ´kloppende´ verhalen werden verteld. Ongeveer evenveel OG-ers hebben het van de AG-er zelf te horen gekregen en de rest heeft het van iemand anders gehoord. Voor zover de OG-respondenten weten, hebben de AG-ers in doorsnee zes jaar gegokt. De helft heeft geen idee hoeveel geld er in totaal is vergokt. Ruim veertig procent geeft aan dat er momenteel nog schulden zijn.
De door OG-ers ervaren problemen die samenhangen met de gokverslaving van hun partner, kind of ander familielid, komen grotendeels overeen met de door AG-ers genoemde problematiek. Samengevat heeft de helft tot driekwart van de OG-ers problemen met de AG-er en/of financiële problemen op het moment dat ze zich bij de AGOG melden. Een kwart tot de helft heeft (daarnaast) problemen met/binnen gezin of familie en/of gevoelens van wanhoop of depressie. Meer dan de helft heeft wel eens hulp gezocht of met iemand over de problemen gepraat, alvorens bij de AGOG te komen: er is gepraat met vrienden of familie of hulp gezocht bij Maatschappelijk Werk, Riagg, verslavings- of Jeugdzorg. Over het algemeen zijn de ervaringen met reguliere (verslavingszorg)instellingen en Maatschappelijk Werk negatief, de ervaringen met (goede) vrienden en familie veelal positief.

De aanleidingen voor AG-ers om hulp bij de AGOG te zoeken zijn verschillend. Er kan sprake zijn van een directe aanleiding of van een bewustwordingsproces waarbij de maat op een gegeven moment vol is; soms ´dwingt` iemand uit de omgeving de gokker om hulp te zoeken. Meestal zijn de problemen (relationeel, financieel en/of emotioneel) zo uit de hand gelopen dat de wanhopige gokker moet erkennen dat hij niet alleen kan stoppen en hier anderen bij nodig heeft. Veel OG-ers zoeken in eerste instantie niet zozeer hulp voor zichzelf, maar gaan eerder naar de AGOG om de AG-er (van het gokken af) te helpen of om beter met het gokprobleem om te kunnen gaan. Vaak is ook bij hen de wanhoop op dat moment groot.
Ruim eenderde van de respondenten is via de omgeving (familie, bekenden) bij de AGOG terecht gekomen, een kwart is doorverwezen door de huisarts of een reguliere (verslavings)zorginstelling. Andere respondenten zijn de AGOG op het spoor zijn gekomen via de telefoongids, berichtgeving in de media, brochures over de AGOG of via Internet.
Van de AG-ers heeft ongeveer een kwart andere hulp naast de AGOG, bijvoorbeeld van een instelling voor reguliere (verslavings)zorg, een huisarts of van iemand uit hun directe omgeving (partner, familielid, vriend of vriendin). Deze hulp hangt niet altijd samen met de gokverslaving; er kan ook sprake zijn van andere problematiek. Van de OG-ers heeft twaalf procent momenteel hulp naast de AGOG. Overigens is deze hulp in sommige gevallen met name bedoeld voor de AG-er. Ruim de helft van de respondenten (55%) is een jaar of korter geleden bij de AGOG gekomen, de rest is langer dan een jaar lid.

De groepen staan onder leiding van één of twee gespreksbegeleiders. Hun taak is ervoor te zorgen dat de regels, adviezen, waarden en normen van de (AGOG-)groepen worden overgedragen en nageleefd. Ook begeleiden zij het groepsgesprek en zijn zij ervoor verantwoordelijk dat iedereen voldoende aan bod komt. De gespreksbegeleiders hebben eerst een tijd als AG-er of OG-er de bijeenkomsten bezocht. De meeste afdelingen hanteren hierbij de norm dat iemand tenminste een jaar gokvrij en/of bij de AGOG moet zijn voordat hij of zij een dergelijke verantwoordelijkheid krijgt. De meerderheid van de respondenten is voor deze taak benaderd; sommigen zijn er onverwachts ingerold, anderen hebben zichzelf aangeboden, bijvoorbeeld omdat er op dat moment behoefte was aan een nieuwe of extra begeleider. Een klein percentage is zelf met een groep begonnen, in regio’s waar nog niets of nauwelijks iets voor gokverslaafden was georganiseerd. Eenderde van de respondenten is ten tijde van het onderzoek langer dan drie jaar gespreksbegeleider, de helft heeft één tot drie jaar ervaring, eentiende is er het afgelopen jaar ingestapt en de ex-begeleiders (7%) hebben tenminste vijf jaar groepen begeleid. De meerderheid heeft geen landelijke training deskundigheidsbevordering gevolgd, maar is vaak wel begeleid vanuit de eigen afdeling of getraind tijdens regionaal georganiseerde bijeenkomsten. Van de respondenten heeft 42 procent wèl aan een landelijke AGOG-cursus deelgenomen. Een relatief klein percentage maakt (soms) gebruik van het in dat kader ontwikkelde handboek.
In vrijwel alle afdelingen wordt tenminste één van de drie meest gebruikte AGOG-brochures (de Twaalf Stappen, de Leidraad, het boekje ‘Ik gokverslaafd... Kom nou’) onder de leden verspreid; een aantal gebruikt daarnaast nog een eigen brochure, boek of informatiemap.
De meeste respondenten begeleiden de groep over het algemeen samen of om beurten. In enkele gevallen doet de begeleider het alleen. Ondanks het belang dat wordt gehecht aan de anonimiteit, houden vrijwel alle afdelingen bepaalde gegevens van de leden bij (zoals het aantal aanwezigen) en/of noteren voornaam en telefoonnummer van de leden. Ongeveer de helft van de afdelingen houdt bij hoeveel dagen of weken de leden gokvrij zijn of het aantal dagen dat iemand bij de AGOG is. Enkele afdelingen houden ook een dagboek bij of maken als geheugensteuntje aantekeningen van belangrijke gebeurtenissen en gespreksonderwerpen.
In doorsnee bestaat een groep uit tien leden. Omdat AG-ers vaker zonder een OG-er komen dan andersom, zijn de AG-groepen over het algemeen groter dan de OG-groepen.
Naar schatting hebben zich het afgelopen jaar in doorsnee tien nieuwe deelnemers per groep gemeld. Hiervan zijn er zeven de groepsavonden ook daadwerkelijk gaan bezoeken.
In het najaar en de winter zien veel gespreksbegeleiders pieken in het aantal aanmeldingen van nieuwe leden. Tijdens het voorjaar en de zomer melden zich meestal minder nieuwe mensen.

De werkwijze van de AGOG Het eerste contact met de AGOG betreft meestal een telefonisch gesprek met een gespreksbegeleider. Daarna kunnen nieuwe mensen meteen terecht bij de eerstvolgende groepsavond. Tweederde van de respondenten heeft van tevoren een intake- of kennismakingsgesprek met (één van) de gespreksbegeleider(s) gehad. Waar zowel AG- als OG-groepen aanwezig zijn, wijst de betreffende afdeling nieuwe deelnemers op de mogelijkheid om gezamenlijk naar de groepsavonden te komen. De bijeenkomsten voor AG en OG zijn parallel georganiseerd. Gezamenlijke deelname is niet verplicht. Wel leert de ervaring dat de kans op succes groter is wanneer AG en OG beiden naar de AGOG gaan.
Van de AG-respondenten heeft 55 procent een OG-er, meestal de partner of (één van) de ouders (de moeder). Van de OG-ers heeft 96 procent een AG-er, vrijwel altijd de partner of een (pleeg)zoon. Van de respondenten met iemand in de parallelgroep zegt negentig procent vaak of altijd samen naar de groepsavonden te gaan.
De afdelingen waar zowel AG- als OG-groepen aanwezig zijn, werken in negen van de tien gevallen samen. De betreffende gespreksbegeleiders vergaderen of overleggen regelmatig en bereiden samen thema-avonden of terugkomdagen voor. Tweederde van de gespreksbegeleiders organiseert regelmatig een mix-avond. In een aantal afdelingen worden ook de intake- of kennismakingsgesprekken door AG- en OG-begeleider gezamenlijk gevoerd.

Bij de AGOG geldt een aantal belangrijke regels en richtlijnen (of adviezen). Zo dient de AG-er direct te stoppen met gokken; van de deelnemers wordt verwacht dat zij wekelijks komen; iedereen blijft anoniem; de AG-er dient zijn geldzaken voorlopig te laten beheren door de omgeving en alle groepen zijn autonoom.
In de groep is iedereen gelijk. Dit betekent dat de leden elkaar dienen te accepteren en respecteren en dat men elkaar in zijn waarde laat. Daarnaast worden eerlijkheid en openheid als belangrijke waarden beschouwd, evenals luisteren naar elkaar en elkaar laten uitpraten.
De leden bepalen zelf wat ze van de avond opsteken en welke adviezen ze opvolgen. In principe is niets verplicht. Wel verwachten de meeste groepen dat ieder op zijn eigen wijze een bijdrage levert aan het groepsgesprek of -proces.

De groepsbijeenkomsten vinden in de regel op een vaste avond in de week plaats. De avonden beginnen tussen 19.30 en 20.00 uur en eindigen doorgaans tussen 22.00 en 23.00 uur; enkele afdelingen gaan door totdat ‘ze klaar zijn’, afhankelijk van het verloop. De meeste groepen maken gebruik van voorzieningen van een plaatselijke, reguliere (verslavings)zorginstelling, zoals een CAD. Een enkele afdeling heeft een eigen pand ter beschikking.
De gespreksbegeleiders zijn als eerste aanwezig, openen het pand, zorgen voor koffie en thee en vangen de (nieuwe) deelnemers op. Als iedereen er is, openen zij de avond. Zij heten de aanwezigen welkom en doen eventueel (huishoudelijke) mededelingen. Daarna krijgt iemand het woord, wordt één van de Twaalf Stappen gelezen of een thema besproken. Veel groepen houden halverwege de avond een (rook)pauze. Wanneer iedereen aan de beurt is geweest, de gesprekken zijn afgerond of de tijd om is, is de avond voorbij. De gespreksbegeleider sluit de bijeenkomst af en iedereen gaat - gesterkt - weer naar huis.

De gehanteerde methode en de invulling hiervan is verschillend per afdeling en per groep. Het rondje van de week is te beschouwen als de basis voor de zelfhulpgroepen binnen de AGOG. Hierbij vertellen de deelnemers om beurten hoe de afgelopen week is verlopen: of er iets bijzonders is gebeurd en wat goed of minder goed is gegaan. Urgente zaken en problemen gaan voor. De meeste groepen trekken de hele avond uit voor het rondje van de week, zodat iedere deelnemer zijn verhaal kwijt kan. Veel groepen maken daarnaast gebruik van thema?s de Twaalf Stappen of hanteren de Leidraad. Beide methoden vormen een richtsnoer van stappen of principes die tot doel hebben een veranderingsproces in gang te zetten. Voor de AG-er begint dit met het erkennen van het gokprobleem, voor de OG-er met de erkenning van de machteloosheid en het verdriet dat gepaard gaat met het leven met een gokverslaafde. De volgende stappen en leidraden zijn bedoeld om gedragsveranderingen op gang te brengen, opdat zowel AG-er als OG-er weer kunnen terugkeren naar een ‘normaal’ leven, met vertrouwen in elkaar en in de (eigen) toekomst.

Thema’s die bij AG en OG regelmatig terugkomen en vaak met elkaar samenhangen, zijn: geldproblemen en financiële regelingen; gedrag en gedragsveranderingen en relatie- en gezinsproblemen.
Financiële regels en beperkingen zijn enerzijds bedoeld om te voorkomen dat de AG-er weer gaat gokken, anderzijds om het vertrouwen van de OG-er te herstellen. Al hebben sommigen hier wel eens moeite mee, wanneer ze er eenmaal aan gewend zijn, vinden de meeste AG-ers het geen probleem om zich aan de richtlijnen te houden. Voor de omgeving is het ook geen leuke opgave om als een oppasser te fungeren. De beperkingen van de financiële vrijheid van de AG-er kunnen worden aangepast als na verloop van tijd het vertrouwen weer terugkeert. Dit is het geval wanneer de AG-er ‘goed bezig is’: dit betekent niet alleen dat hij stopt met gokken, maar ook dat hij zijn gedrag verandert en dit weet over te brengen naar zijn omgeving. De meeste gokkers hebben jarenlang gelogen, bedrogen en gemanipuleerd en niet kunnen of willen praten, overleggen en luisteren. De gokker is onbereikbaar geworden voor zijn naaste omgeving en hierdoor zijn de relaties sterk verslechterd. Om gedragsveranderingen op gang te brengen, krijgen openheid en eerlijkheid, en het leren praten en luisteren veel aandacht, zowel bij de AG als de OG. Problemen binnen de relatie met partner of ouders staan vaak in nauw verband met het ‘oude’ (gokkers)gedrag en met financiële problemen. Het opnieuw opbouwen van wederzijds vertrouwen kan vaak enige tijd duren en daardoor zijn de problemen tussen de AG-er en zijn omgeving niet opgelost, zodra men zich bij de AGOG aanmeldt. Pas als het na verloop van tijd met de AG-er de goede kant op gaat (de financiën zijn geregeld en het gedrag veranderd) en de OG-er aan de eigen (onverwerkte) gevoelens kan toekomen (en niet meer uitsluitend bezig is met het controleren van de AG-er), kan er weer rust ontstaan in de relatie of het gezin, waardoor het vertrouwen zich kan herstellen.

Vrijwel alle gespreksbegeleiders zien het als hun taak ervoor te zorgen dat iedereen aan bod komt en zijn verhaal in de groep kwijt kan, al gaat niet iedere groep langer door wanneer dit (eens) niet lukt. Wel kunnen de leden hun begeleiders meestal dag en nacht bellen.
In principe laat meer dan driekwart van de begeleiders vooral de groepsleden het woord doen. Wel zeggen sommigen zelf de aanzet te geven of de vragen te stellen om een bepaalde structuur of opbouw te bewerkstelligen. Als iemand te lang aan het woord is of met dingen komt die niet relevant worden geacht, grijpen de meesten in. In andere situaties laten de begeleiders het de groep zelf reguleren. Wanneer deelnemers door elkaar heen praten, grijpen gespreksbegeleiders alleen in indien het als storend wordt ervaren of als ze het nodig vinden om de mensen apart aan het woord te laten, afhankelijk van de situatie of het onderwerp. Gespreksbegeleiders vinden over het algemeen niet dat zijzelf veel aan het woord zijn. Sommigen nemen het woord alleen als ze het echt nodig vinden of wanneer verduidelijking wordt gevraagd. Veel afdelingen hebben als regel ingesteld dat ze één keer contact opnemen wanneer leden (een of meerdere keren) niet komen opdagen en zich niet hebben afgemeld.
Op een enkele uitzondering na houden alle groepen bij wanneer iemand een jaar gokvrij is en/of bij de AGOG is. Bij de AG wordt dit meestal ook gevierd. De afdelingen waar zowel AG- als OG-groepen zijn, vieren een jaar gokvrij en/of een jaar lidmaatschap vaak gezamenlijk. Ondanks dat gespreksbegeleiders en leden van mening zijn dat een gokverslaving hardnekkig is en altijd weer de kop kan opsteken, vormt een jaar gokvrij en/of het een jaar bij de AGOG zijn voor velen aanleiding om afscheid te nemen. De meeste leden blijven ongeveer een jaar tot anderhalf jaar bij de groep, AG-ers naar verhouding langer dan OG-ers. Driekwart van de begeleiders besteedt aandacht aan het afscheid van een groepslid. Evenals bij een jaar gokvrij, heeft een afscheid vaak een feestelijk en/of plechtig tintje. Leden kunnen altijd terugkomen wanneer ze daar behoefte aan hebben.

Ervaringen van de deelnemers De eerste groepsavond die zij bezochten, waren de meeste respondenten zenuwachtig en gespannen. Ze konden over het algemeen zelf bepalen wat en hoeveel ze wilden vertellen. Driekwart heeft de eerste keer (kort) zijn/haar verhaal verteld en verder vooral geluisterd. Vier van de vijf deelnemers voelden zich op hun gemak gesteld door zowel de groep als de begeleider en zeventig procent voelde zich meteen veilig. Negen van de tien respondenten herkenden de eerste keer veel van wat ze hoorden. Aan het eind van de avond had ruim tweederde meer hoop en voelde zich beter dan aan het begin.
Na verloop van tijd, wanneer de respondenten aan een aantal groepsbijeenkomsten hebben deelgenomen, treden er allerlei veranderingen op. Een essentiële verandering is het gokvrij worden van de AG-ers: 44 procent van de respondenten is ten tijde van het onderzoek een jaar of langer gokvrij, ruim eenderde is drie tot twaalf maanden gokvrij. In het begin heeft meer dan tweederde van de AG-respondenten last gehad van gokdrang. Bij eenzelfde percentage is hier momenteel echter zelden of nooit meer sprake van. Eenderde is wel eens teruggevallen en weer gaan gokken: bij de helft betrof dit een eenmalige gebeurtenis.
Meer dan de helft van de AG-ers heeft in het begin één of meerdere onthoudings- of afkickverschijnselen ervaren. De zelfgerapporteerde klachten en verschijnselen zijn divers en vaak psychisch van aard. Hoofdpijn, slaapproblemen en spanning/stress zijn het meest genoemd. Naast onthoudingsverschijnselen heeft 43 procent van de AG-ers nog andere bijverschijnselen ervaren: zij zijn bijvoorbeeld - tijdelijk of blijvend - (meer) gaan roken, computeren, eten en/of drinken.
Gekeken naar de functie van het gokken, zeggen de meesten dat het willen vergeten, ontvluchten of compenseren van problemen, negatieve of nare gevoelens een belangrijke drijfveer was. Andere functies van het gokken waren: (leuk) tijdverdrijf, een uitlaadklep, (ont)spanning, een manier om (geld) te winnen en eenzaamheid. Sommigen weten het niet of vinden het niet relevant om zich af te vragen waarom ze ooit verslaafd zijn geraakt.
Een andere belangrijke verandering is de vrijetijdsbeteding. Wanneer een AG-er stopt met gokken, blijkt er opeens veel meer (vrije) tijd te zijn. Naast hard werken om de schulden zo snel mogelijk te kunnen aflossen, besteedt 62 procent deze tijd op diverse manieren, vaak op advies van de groep. Ze ontwikkelen nieuwe interesses, gaan (meer) sporten en besteden meer tijd en aandacht aan gezin, relatie en vrienden.
Vooral geldproblemen en problemen met partner en gezin/familie kwamen veelvuldig voor op het moment dat respondenten bij de AGOG kwamen. Door meer dan driekwart van de AG-ers die geldproblemen en problemen met partner en gezin/familie hadden, zijn hierin momenteel verbeteringen geconstateerd. Ook in de problemen die bij een kwart tot de helft van de AG-respondenten voorkwamen (depressie/wanhoop, eenzaamheid/isolement, problemen met/op het werk en met andere mensen), zijn bij tenminste de helft verbeteringen opgetreden. Problemen met school/studie zijn bij eenderde van de respondenten verbeterd.
Van de OG-ers die problemen hadden met de AG-er en de financiën en die (daarnaast) gevoelens van depressiviteit of wanhoop en eenzaamheid/isolement ervaarden, is de situatie sindsdien bij tenminste tweederde verbeterd. In de problemen met of binnen het gezin/familie is bij meer dan de helft verbetering opgetreden. Eenderde van de OG-ers heeft momenteel (heel) veel vertrouwen in de AG-er en de relatie, 37 procent heeft er redelijk veel vertrouwen in. Bij de overige dertig procent is er nauwelijks/geen sprake vertrouwen of is het vertrouwen wisselend of groeiend.

Ruim viervijfde van de respondenten zegt een bepaalde ontwikkeling te hebben doorgemaakt binnen de AGOG. Vrijwel alle AG-ers voelen zich beter en gelukkiger dan voorheen en vinden zichzelf (of hun karakter) in positieve zin veranderd, ook ten opzichte van hun lotgenoten en/of medemens. Ze hebben hun leven weer op orde. Draaide het in beginsel vrijwel uitsluitend om het (niet) gokken, na verloop van tijd treden andere veranderingen op. Velen geven aan dat hun zelfkennis en zelfbewustzijn is toegenomen. Gevoelens van zelfvertrouwen en eigenwaarde komen terug. Een belangrijk deel heeft door de AGOG leren praten en luisteren en omgaan met problemen. Ze vinden dat ze socialer zijn geworden en meer betrokken zijn bij hun omgeving. Anderen zeggen eerlijker, reëler en meer open te zijn geworden waardoor ze (beter dan vroeger) uit durven komen voor hun mening. Bij verschillende AG-deelnemers zijn depressies, spanningen en onrust verdwenen; in plaats daarvan zijn ze (innerlijk) rustiger en sterker of juist vrolijker geworden door de AGOG.
OG-ers hebben veelal voor zichzelf leren opkomen en vinden zichzelf sterker en zelfstandiger geworden. Ze kunnen over het algemeen beter met de AG-er en het gokprobleem omgaan dan voorheen; dit heeft ook invloed op de relatie. Net als veel AG-ers zeggen OG-ers (beter) te hebben leren praten, luisteren en eerlijk zijn en vinden ze hun zelfkennis toegenomen. Als laatste merken veel OG-respondenten dat ze - vaak na lange tijd - weer kunnen genieten van kleine dingen, hun relatie, gezin of van het leven in het algemeen.
Van de AG-ers met een relatie zegt ongeveer zestig procent dat deze is verbeterd; van de OG-ers vindt ruim viervijfde de relatie met de AG-er verbeterd. Er is meer (of weer) vertrouwen, meer openheid en eerlijkheid, meer wederzijds begrip en er wordt meer en beter gepraat.

De AGOG wordt door de respondenten bijzonder hoog gewaardeerd: tenminste negentig procent beoordeelt de groep, de groepsbegeleiding, de manier van werken en de kwaliteit van de hulpverlening als (zeer) positief. Niemand heeft een negatief oordeel.
De meeste AG-ers beschouwen de AGOG als dè oplossing voor hun gokprobleem. Dankzij de AGOG zijn ze al langere tijd gokvrij en worden ze ervan weerhouden weer te gaan gokken. Daarnaast is de AGOG een plek waar ze altijd terecht kunnen, waar ze hun verhaal zonder schroom kunnen vertellen en waar ze zichzelf kunnen zijn. AG-ers vinden er herkenning, een luisterend oor, goede raad, hulp, steun, begrip, warmte, kennis en ervaringsdeskundigheid. Verschillende deelnemers geven aan dat ze zonder de AGOG niet de persoon waren geweest die ze nu zijn en hebben nieuwe zingeving en betekenis in het leven ontdekt.
In grote lijnen vinden de OG-ers in de AGOG dezelfde elementen terug als de AG-ers: zij krijgen steun, begrip, hulp en een luisterend oor zonder te worden veroordeeld. Al zeggen OG-ers naar verhouding vaker dat ze zich nog midden in het proces bevinden, een deel van hen voelt zich in elk geval minder eenzaam en heeft nieuwe hoop gekregen. Verschillende OG-respondenten vinden dat ze er veel hebben geleerd en gekregen. Voor een aantal is de AGOG daarnaast van grote betekenis geweest voor hun relatie met de AG-er. Net als AG-ers vinden ook veel OG-ers zichzelf en hun leven in positieve zin veranderd.

Gekeken naar de ervaringen van de gespreksbegeleiders komt naar voren dat de samenwerking tussen AG en OG over het algemeen (zeer) goed verloopt. In het geval dat een AG-er en een OG-er elkaar tegenspreken, hetgeen regelmatig voorkomt, wordt snel naar een oplossing gezocht. Vaak gaan beide begeleiders met de betreffende AG-er en OG-er om de tafel zitten om de zaken uit te praten. De mix-avonden, die bij de meeste gemengde afdelingen worden georganiseerd, bevallen overwegend goed. Dit geldt ook voor de terugkomdagen.
Zestig procent van de gespreksbegeleiders onderhoudt contacten met reguliere hulpverleningsinstellingen. In de meeste gevallen betreft het contacten op organisatorisch vlak, bijvoorbeeld over de faciliteiten, en wederzijdse doorverwijzingen.

Volgens de gespreksbegeleiders is één van de belangrijkste doelstellingen van de AGOG om gokverslaafden te helpen van hun verslaving af te komen c.q. gokvrij te blijven en de omgeving te ondersteunen met het leren omgaan met de gokverslaving c.q. de gokker. Een daaruit voortvloeiende doelstelling is mensen te helpen hun leven weer op de rails te krijgen. Dit probeert de AGOG te bereiken door de leden weer doelen en (maatschappelijke) mogelijkheden te laten ontdekken waardoor hun leven waardevoller wordt. Het creëren van een goede verstandhouding tussen AG-er en OG-er, waardoor zij weer naar tevredenheid kunnen samenleven, is eveneens van groot belang. Dit hangt samen met het stimuleren van gedragsveranderingen (eerlijkheid, openheid) en een positief zelfbeeld van de leden en het opbouwen van het vertrouwen. Verder is volgens gespreksbegeleiders een doel van de AGOG: mensen leren zichzelf te helpen en zichzelf te leren kennen.

Negen van de tien respondenten ervaren het gespreksbegeleiderschap als (zeer) positief.
Wel wordt het af en toe als een zware taak beschouwd: gespreksbegeleiders dragen veel verantwoordelijkheid en lopen binnen de groep regelmatig tegen zware problematiek aan. De landelijke cursussen deskundigheidsbevordering en de (regionale) gespreksbegeleidersdagen worden dan ook niet alleen georganiseerd om nieuwe gespreksbegeleiders op te leiden, maar zijn ook bedoeld om de huidige begeleiders te ondersteunen bij het omgaan met dergelijke problemen. Op de dagen voor gespreksbegeleiders, die door zeventig procent worden bezocht, kunnen ervaringen worden gedeeld en uitgewisseld. Met name vanwege deze mogelijkheid beoordeelt ruim negentig procent de gespreksbegeleidersdagen als (zeer) positief.

 

terug naar boven