Terugblik op de toekomst; Literatuurstudie naar de mogelijkheden van ibogaïne

Aanleiding voor het grootste deel van de, in deze literatuurstudie beschreven, onderzoeken en rapportages zijn de claims omtrent de anti-addictieve werking van ibogaïne, door Howard Lotsof. Lotsof (1985, 1986, 1989, 1991, 1992, 1995, 1997) stelt dat ibogaïne in staat is de afhankelijkheid van diverse middelen zoals, opiaten, cocaïne, amfetaminen, alcohol en nicotine, te onderbreken. De studies, die hier beschreven zijn, beperken zich vooral tot opiaten (met name heroïne en morfine) en cocaïne. De conclusies zullen dan ook met name op deze middelen betrekking hebben.
Zoals in de inleiding werd beschreven kan men de anti-addictieve werking van ibogaïne opdelen in twee factoren, de fysische en de psychische factor. De beantwoording van de vraagstelling hieromtrent zal in de derde paragraaf aan de orde komen.
Allereerst wordt ingegaan op de discussie omtrent de effectiviteit van ibogaïne bij de behandeling van verslaving.

Discussie

Kaplan en zijn collega’s (1993) rapporteerden, dat het heroïnezoekend gedrag bij alle heroïneverslaafden uit de focusgroup-studie voor een relatief lange periode onderbroken werd. Sisko (1993) vraagt zich af hoe lang zo’n relatief lange periode dan is. Welke maatstaven worden gebruikt om succes van ibogaïne behandelingen te meten? Wat voor de één succes is, wordt door een ander als mislukt beschouwd, aldus Sisko (1993). Sommige zien de vervanging van dagelijks, excessief gebruik door af-en-toe-gebruik als progressie, terwijl anderen pas van succes spreken in het geval van totale abstinentie van het gebruik.
Sisko (1993) stelt, dat het realistischer is om de doelstelling, dat heroïneverslaafden drugsvrij moeten zijn na behandeling, te vervangen voor het streven dat verslaafden vrij van verslaving zijn na behandeling. Dat betekent dat het voor de persoon mogelijk is om te kiezen of hij/zij een bepaalde substantie wil gebruiken of niet, in plaats van te moeten gebruiken (Sisko, 1993).
In dat licht gezien, kan de behandeling van verslaving met behulp van ibogaïne een welkome toevoeging zijn aan een breed scala aan methoden binnen een behandelprogramma; psychotherapie, farmacotherapie, schuldsanering, programma’s voor maatschappelijke herintreding en voorzieningen als huisvesting en werk.


Als een behandelprogramma beperkt blijft tot een eenmalige behandeling met ibogaïne dan is er wellicht slechts een kleine groep, die daar baat bij heeft. Zoals bleek uit het derde hoofdstuk is de schatting, dat zo’n tien tot vijftien procent voor minimaal een periode van twee jaar vrij blijft van verslaving (Lotsof, 1995; Popik & Skolnick, 1999). Een groot deel van deze groep voldoet aan de gunstige voorwaarden voor behandeling zoals een relatief stabiele omgeving, een hoge motivatie, stimulerende kennissenkring en voldoende sociale en maatschappelijke vaardigheden (Lotsof, 1995).
Een groep van veertig à vijftig procent heeft (tijdelijk) baat bij behandeling met ibogaïne, maar heeft aanvullende therapieën, meerdere ibogaïnebehandelingen, verandering van leefomgeving en dergelijke nodig om tot een werkelijke oplossing van het verslavingsprobleem te komen.

In het perspectief van harmreduction kan ibogaïne mogelijk een rol spelen, die in eerste instantie niet direct is gericht op het wegnemen van de verslaving, maar als middel ter verbetering van de kwaliteit van het leven van met name heroïne verslaafden en polidrugverslaafden. Harmreduction is een term die wordt gebruikt als aanduiding van een zorg- en preventiebeleid, dat er op gericht is de schadelijke aspecten van druggebruik zo veel mogelijk te beperken en de kwaliteit van leven van verslaafden te verbeteren. Schadelijke aspecten slaan niet alleen op de schade die een gebruiker zichzelf aandoet als gevolg van excessief druggebruik, maar ook schade die wordt veroorzaakt aan de omgeving van de gebruiker (denk aan druggerelateerde criminaliteit e.d.).
Eén van de mogelijke bijwerkingen of nawerkingen van het gebruik van heroïne is depressiviteit, hetgeen fysiologisch te verklaren valt uit een verstoring van de serotoninehuishouding (zie ook Kaplan et al, 1993). Veel verslaafden, die na behandeling met ibogaïne na verloop van tijd weer zijn gaan gebruiken, melden toch een positieve verandering gedurende de maanden na de ibogaïnebehandeling. Zij hebben minder last van depressiviteit, meer energie, een positiever zelfbeeld en het besef dat het mogelijk is om de verslaving te onderbreken, hetgeen niet voor mogelijk werd gehouden vanuit een nihilistische, depressieve levenshouding (Kaplan, 1993).
Kaplan merkt op (persoonlijke communicatie, 1999) dat sommige verslaafden niet de ambitie hebben om te stoppen met hun gebruik, aangezien ze na de afkickperiode toch weer in de gebruikersscene terechtkomen (andere sociale contacten hebben ze immers niet na jarenlang gebruik). Sommigen hebben dat ervaren na een behandeling met ibogaïne. Ze waren drugsvrij en bleven dat ook een tijd terwijl men zich begaf onder de oude bekenden uit de scene. Na verloop van tijd ging men weer gebruiken, deels omdat ze zich voelden buitengesloten doordat ze niet meer gebruikten. Ibogaïne bleek dan niet de stap naar een drugvrij bestaan. Deze gebruikers gaven wel aan eens in de zoveel tijd graag een ibogaïnebehandeling te willen, aangezien zij zich veel beter voelden in de maanden na behandeling.
Zo kan er worden gedacht aan de mogelijkheid om de experimenten met vrije heroïneverstrekking uit te breiden met bijvoorbeeld een jaarlijkse ibogaïnebehandeling (indien gewenst), hetgeen twee voordelen kan hebben. Enerzijds voelt de verslaafde zich beter tijdens de maanden na behandeling en anderzijds wordt de verslaving tijdelijk onderbroken, een periode die de verslaafde kan benutten voor bezinning. Van daaruit kan men kiezen om behandeling te zoeken, dan wel het gebruikelijke patroon van gebruik weer op te pakken.
Vaak wordt ibogaïne in de media omschreven als een geneesmiddel tegen verslaving. Dat is het echter niet. Ibogaïne kan wel gezien worden als een zeer bruikbaar instrument bij de detoxificatie van verslaafden. Of zoals Sisko het stelt:


Although ibogaine has been touted by the media as a ‘cure for addiction’, ibogaïne is far from a cure. It is however, an extraordinary effective vehicle by which to detoxify a person (Sisko, 1993: p. 16).
Volgens veel verslaafden is ibogaïne een patiëntvriendelijker en humaner middel bij het afkicken, dan andere (reguliere) methoden die zij in het verleden hebben geprobeerd (Lotsof, 1995; De Rienzo, 1997; Sheppard, 1994 e.a.). Ibogaïne onderdrukt het merendeel van de onthoudingsverschijnselen en tijdelijk de craving. Het is een misverstand te denken dat de ibogaïne-ervaring een plezierige ervaring is, zoals dat met andere psychedelica het geval kan zijn. De behandeling zelf is voor de meeste patiënten een oncomfortabele, confronterende en uitputtende ervaring. Achteraf beseffen zij meestal pas de positieve en bruikbare aspecten van de behandeling.

De probleemstelling

In deze paragraaf wordt een poging gedaan, de onderzoeksvraag die in deze literatuurstudie centraal staat te beantwoorden. Deze vraag luidt:
Is de psychoactieve component essentieel voor de anti-addictieve werking van ibogaïne en wat is dan de therapeutische waarde van de normatieve visioenen veroorzaakt door ibogaïne?

In het algemeen wordt aangenomen dat onverwerkte trauma’s in iemands verleden kunnen bijdragen tot veel gevallen van verslaving. Veel psychotherapieën ter behandeling van verslaving richten zich dan ook voornamelijk op dit onverwerkte verleden. Zoals we bij Naranjo zagen beschouwt hij ibogaïne als een zeer geschikt middel om onverwerkte zaken uit het verleden naar boven te halen en te behandelen. Gezien de lagere doseringen (in vergelijking met de Lotsof-methode) die hij daarbij gebruikt blijkt het, als therapeut, mogelijk de droomachtige visioenen te sturen en interventies te plegen. Thema’s die tijdens de visioenen naar voren komen hebben meestal betrekking op de problematiek van de persoon zelf. Naranjo verbaast zich over de snelheid waarmee men (met behulp van ibogaïne) tot de kern van de persoonlijke problemen kan komen, hetgeen leidt tot essentiële inzichten, die bruikbaar zijn in het verloop van de therapie (Naranjo, 1969 & 1973).
Bij behandeling van verslaafden komen vergelijkbare verhalen naar boven. Door de hoge doseringen blijkt de sturende, interveniërende rol van een therapeut zelfs overbodig, ibogaïne doet zelf het werk. Tijdens de normatieve visioenen, zo melden veel behandelden, treedt regressie op naar perioden uit het verleden, waarin de problemen ontstaan zijn die indirect hebben geleid tot de verslaving. Judd (1994) meldt over haar ervaringen met ibogaïnebehandelingen van verslaafden, dat met behulp van ibogaïne therapeutische resultaten behaald kunnen worden, waar normaal gesproken jaren van psychotherapie voor nodig is. Dit wordt door meerderen bevestigd (zie o.a. De Rienzo, 1997; Allen, 1996). Don Allen (1996) interviewde een andere therapeute, die ook beweert dat ibogaïne een persoon relatief snel naar een stuk onverwerkt verleden kan leiden en zo een verwerkingsproces in gang kan zetten.

Mash en haar medewerkers (1998) zijn (op grond van de voorlopige klinische data) van mening dat ibogaïne, als onderdeel van een breder behandelplan, bruikbaar is bij de detoxificatie van een verslaafde en op korte termijn stabilisatie in de toestand van de verslaafde bewerkstelligt. Haar team observeerde meerdere ambivalente verslaafden (lage motivatie tot stoppen met middelengebruik). Zij raakten door hun ibogaïne-ervaring gemotiveerd om lange termijn hulp te zoeken.


Kortom het lijkt er op dat de psychoactieve component van de ibogaïne-ervaring therapeutisch een waardevolle rol speelt bij de behandeling van verslaving (en andere psychotherapeutische toepassingen). Onderliggende psychische problematiek kan worden onthuld en de motivatie om de verslaving onder controle te krijgen wordt mogelijk bevorderd op grond van de zogenaamde normatieve visioenen die men ervaart tijdens behandeling met ibogaïne.
Of dezelfde anti-addictieve effecten met andere middelen bewerkstelligd kunnen worden, zonder psychoactieve verschijnselen te veroorzaken, moet nader onderzoek uitwijzen. We zagen in de inleiding dat men op zoek is naar middelen met dezelfde fysiologische, anti-addictieve effecten (wegnemen onthoudingsverschijnselen en craving), die geen hallucinaties opwekken (zie Glick et al, 1996). Mash en haar team (1998) ontdekte dat ibogaïne’s principale metaboliet, noribogaïne, in feite zorgt voor de na-effecten van ibogaïne. Zij ontwikkelden een protocol voor behandeling met Noribogaïne plusâ, waar Lotsof ‘s NDA inc. patent op kreeg in 1997 (zie voetnoot 15; p.19). Noribogaïne heeft (zo lijkt het) dezelfde fysiologische en psychologische effecten als ibogaïne, namelijk het verzachten van de onthoudingsverschijnselen en het reduceren van craving, zij het mogelijk zonder hallucinogene visioenen (Mash et al., 1998; zie hoofdstuk drie). Mogelijk dat dergelijke middelen zonder psychoactieve component effectief kunnen zijn voor verslaafden. Vele verslaafden zeggen hun verslaving in stand te houden, enkel uit angst voor de onthoudingsverschijnselen.
Er is nog veel klinisch onderzoek nodig om de grotendeels anekdotische rapportages wetenschappelijk te ondersteunen. Het premature, klinische onderzoek dat voor handen is (Mash et al, 1998) wijst in elk geval in een veelbelovende richting.


Algemene conclusies en aanbevelingen Conclusie met betrekking tot de rol van ibogaïne bij verslaving

Ibogaïne blijkt in staat te zijn cocaïne- en opiaatverslaving te onderbreken en onthoudingsverschijnselen en craving (hunkeren naar middel van verslaving) te reduceren. Preklinische studies zijn over het algemeen consistent in hun resultaten hierover (Popik & Skolnick, 1999). Ook klinische studies (hoewel nog klein in aantal in vergelijking met preklinische studies) en anekdotische rapportages wijzen in dezelfde richting. Sommige anekdotische rapportages beweren echter dat een eenmalige behandeling met ibogaïne, lange termijn effecten heeft op het druggebruik van drugsverslaafden. Deze claims zijn echter niet aangetoond door (met name) preklinische studies. Er dient dan ook geconcludeerd te worden dat ibogaïne niet het wondermiddel is tegen verslaving, zoals sommigen geneigd zijn te geloven, in de zin dat ibogaïnebehandeling de reguliere behandelmethoden simpelweg kan vervangen.
Ibogaïne kan mogelijk wel een welkome aanvulling zijn op de reguliere behandelmethoden als onderdeel van een breed behandelmodel. Mash en haar collega’s wijzen erop dat ibogaïne een interessant voorbeeld is van een farmacotherapeutische strategie als aanvulling op psychotherapie. Als middel ter detoxificatie van verslaafden lijkt ibogaïne vooralsnog uniek bij het stabiliseren en (tijdelijk) in standhouden van de stabiele (drugvrije) situatie van de verslaafde, als voorbereiding op verdere behandeling.


Een andere unieke eigenschap van ibogaïne is dat het de potentie heeft om de motivatie van de verslaafde te verhogen (of zelfs te bewerkstelligen) om diens destructieve leefstijl te veranderen. Veel aanvullend onderzoek is echter noodzakelijk om mogelijke toekomstige implementatie van ibogaïnetherapie binnen de reguliere behandelsetting te bewerkstelligen en de juiste waarde hiervan in te schatten.
Ook ter verklaring van de anti-addictieve mechanismen van ibogaïne en haar metabolieten is nog veel onderzoek nodig. Het lijkt erop dat de werking zeer complex is en dat ibogaïne effect heeft op verschillende centra in de hersenen. Hierover bestaan echter vooralsnog veel meer vragen dan antwoorden.

Conclusie met betrekking tot de toxicologie van ibogaïne Met betrekking tot toekomstige beslissingen omtrent het uitvoeren van klinisch onderzoek, zijn de voorlopige resultaten van onderzoek naar de toxicologie van ibogaïne van groot belang. De toxiciteit van ibogaïne bij mensen blijkt laag te zijn (zie o.a. Drahir, 1971; Goutarel et al., 1993; Mash et al., 1998; Popik & Skolnick), zelfs vergelijkbaar met die van aspirine (Goutarel, 1993).
De verontrustende resultaten van O’Hearn en Molliver (1993 a & 1993 b) omtrent de neurotoxiciteit van ibogaïne bij intraperitoneale toediening van 100 mg/kg (bijna dodelijke dosis bij ratten en vele malen hoger dan de therapeutische dosis) bleek niet reproduceerbaar bij primaten. Ook werden deze resultaten niet gevonden bij ratten na toediening van de therapeutische dosis (Molinari et al., 1996). Ook bij mensen zijn geen toxicologische effecten gevonden (Mash et al., 1998).
Kortom, er is nog veel preklinisch maar vooral klinisch onderzoek nodig. Preklinisch onderzoek zal antwoorden kunnen opleveren omtrent de werking van ibogaïne op moleculair en neuraal niveau. Klinisch onderzoek is nodig om de efficiëntie en de toepasbaarheid van ibogaïne binnen de verslavingszorg te onderzoeken.

Nawoord

Ibogaïne is omgeven door controversen, met name in de Verenigde Staten waar het middel op lijst I van verboden middelen staat. Beslissingen rond het gebruik van ibogaïne in onderzoek naar en behandeling van verslaving lijken niet altijd te worden genomen op grond van rationele overwegingen, maar eerder op politieke en economische gronden. Voor een middel, waarvan sterk wordt vermoed dat het anti-addictieve eigenschappen heeft met voordelige fysiologische en psychologische effecten, zou men veel belangstelling verwachten van de farmaceutische industrie, de wetenschap, de politiek en de verslavingszorg.
Zeker wanneer men bedenkt, dat het gebruik van methadon de voornaamste farmacotherapie is bij de behandeling van heroïne verslaving, wat nadelige effecten voor de gebruiker heeft (ook ten opzichte van heroïne gebruik).
De farmaceutische industrie kijkt toe op een afstand en constateert dat er weinig voordeel lijkt te behalen uit behandeling van miljoenen verslaafden (wereldwijd) met ibogaïne, ten opzichte van het behandelen met methadon. Ibogaïne past niet in het economisch plaatje van een substantie dat de industrie veel geld oplevert. Daarin passen geneesmiddelen die dagelijks worden voorgeschreven voor een periode van weken, maanden of zelfs jaren (zoals methadon) en niet een middel dat eenmalig of hooguit vier à vijf keer in twee jaar wordt voorgeschreven aan een verslaafde. Bovendien de patenten voor het gebruik van ibogaïne bij behandeling van verslaving zijn voorlopig in handen van NDA inc. van Lotsof.
Politiek gezien ligt ibogaïne gevoelig, wat betreft het experimenteren met psychoactieve middelen. Dit is een erfenis uit de jaren zestig en zeventig, waarin geëxperimenteerd met het gebruik van middelen als, LSD, MDMA, amfetaminen et cetera in de psychotherapie. De opvatting dat men een drugverslaving niet met een andere drug kan behandelen is niet gestoeld op wetenschappelijke resultaten en is zeker geen weerspiegeling van de praktijk, waar de behandeling met methadon standaard is bij heroïne verslaving.
Tevens spelen soms bepaalde wetenschappelijk minder relevante argumenten een relatief grote rol bij het nemen van beslissingen. Denk aan het tumult rond de toxiciteit van ibogaïne in de beslissingen van de FDA. Geïnteresseerden in deze discussie worden verwezen naar ‘The Ibogaine Story’, De Rienzo & Beal (1997).
In Nederland werd klinisch onderzoek verboden, na het overlijden van een Duitse aan heroïne verslaafde vrouw tijdens een ibogaïne behandeling door Lotsof en wijlen professor Bastiaans. Het lijkt erop dat men verder onderzoek uit de Verenigde Staten afwacht. Daar ligt het Phase I/II trial onderzoek stil wegens gebrek aan financiering en de vete tussen Mash en Lotsof (New Miami Times, 1997 vol.12 nr.22).
Ibogaïne behandelingen onder medische condities, zijn volgens zowel Mash (1998) als Lotsof (1995) veilig indien men vooraf grondig medisch onderzoek doet. Ibogaïne is mogelijk een zeer bruikbaar middel ter behandeling van verslaving en verbetering van de levenskwaliteit van heroïneverslaafden en polidrugverslaafden. Waarom onderwerpt men dan een dergelijk middel niet aan grondig klinisch onderzoek onder medische condities?

Category: Hulpverlening en zelfhulp
File Size: 281.73 KB