XTC gebruik en psychische problematiek;een zoektocht naar de fundamenten van conclusies en waarschuwingen

De centrale probleemstelling van deze literatuurstudie was: “op grond van welke argumenten uit onderzoeksverslagen zijn conclusies en waarschuwingen geformuleerd over het gebruik van XTC en psychische complicaties?” De methode om de vraag te beantwoorden was een systematische bronnenanalyse en die is beschreven in deel I en II van dit rapport. In de evaluaties is antwoord gegeven op de centrale vraag. Achteraf had aan de probleemstelling toegevoegd kunnen worden: op welke wijze zijn conclusies en waarschuwingen geformuleerd over het gebruik van XTC en psychische complicaties?

Wat in deel I geïllustreerd wordt, is een mechanisme dat vergelijkbaar is met een spelletje: een zin wordt doorgefluisterd en een aantal personen verder lijkt er een aantal elementen aan toegevoegd en een aantal weggelaten. Uitspraken en onderzoeksresultaten worden onzorgvuldig aan- en overgenomen, met weinig of geen aandacht voor de kanttekeningen en alternatieve verklaringen. In dit onderzoeksveld heeft de hypothese waarin serotonine centraal staat niet het karakter van een hypothese, maar van een aanname die met resultaten onderschreven zal worden.

In deel II is het concept individuele gevoeligheid nader bekeken. In het onderzoeksveld heeft dit concept een belangrijke plaats in een helikopterverklaring: een relatief klein aantal individuen rapporteert psychische klachten na XTC gebruik in verhouding tot het totaal aantal gebruikers, wat impliceert dat er sprake is van een individuele gevoeligheid voor het krijgen van klachten. De publicaties onder de loep genomen, blijkt dat een individueel bepaalde kwetsbaarheid niet eenduidig is omschreven en zelden is aangenomen als verklaring voor de klachten die optreden na XTC gebruik. Bovendien is tot op heden niet onderzocht welke factoren iemand ontvankelijk maken voor het krijgen van klachten. Met andere woorden: individuele gevoeligheid lijkt tot op heden een construct zonder duidelijke invulling, op basis waarvan het gebruik van XTC wordt afgeraden, met klem.

Ondanks biologisch bewijs voor serotonerge hersenschade bij dieren en aanwijzingen hiervoor bij mensen zijn functionele consequenties van serotonerge ontregeling als gevolg van MDMA niet geïdentificeerd, noch bij dieren, noch bij mensen. Farmaco-toxicologisch onderzoek richt zich op een verklaring voor psychische complicaties, die geldt voor elke XTC gebruiker: hersenschade als gevolg van MDMA. In de hypothese dat MDMA neurotoxisch is, ligt de visie dat het relatief weinig voorkomen van klachten een bewijs vormt dat veel klachten onopgemerkt blijven, of zich pas op latere leeftijd zullen openbaren. Het vermoeden dat psychische klachten zich op hogere leeftijd openbaren, verklaart niet de klachten die gebruikers op korte termijn rapporteren en resultaten uit farmaco-toxicologisch onderzoek verklaren niet waarom een relatief klein aantal individuen psychische klachten rapporteert na het gebruik van XTC.

Uiteenlopende hypotheses, een individueel bepaalde kwetsbaarheid als verklaring voor het krijgen van klachten en neurotoxiciteit als oorzaak van de klachten, leven langs elkaar heen, bestaan soms naast elkaar, maar veelal tegenover elkaar. Zolang hiervan sprake is, lijkt het niet gerechtvaardigd dat alleen de laatste centraal staat in de onderzoekspraktijk, mediaberichten en beleidsvoering. De beleidsvoering beïnvloedt weer de onderzoekspraktijk.

Doel van de zoektochten was niet om XTC te beschrijven als een drug zonder gevaren. Met de zoektochten is geëvalueerd of conclusies en waarschuwingen omtrent XTC, zoals die verschijnen in wetenschappelijke publicaties, media en doordringen in beleidsvoering, gelijk op gaan met daadwerkelijk de argumenten hiervoor. Het rapport toont dat dit niet het geval is. Mogelijk gaan hierachter maatschappelijke bewegingen schuil. Ter illustratie de ‘fenfluraminediscussie’.

In de publicaties vanaf 1985 tot op heden heerst een discussie, de ‘fenfluraminediscussie’. Fenfluramine heeft een prominente plaats in de discussie omtrent de registratie van MDMA als illegale drug op Schedule I en de (als gevolg van deze registratie) onmogelijkheid om MDMA als psychotherapeutisch hulpmiddel te gebruiken. Fenfluramine, chemisch verwant aan amfetamines, wordt als medicatie voorgeschreven als eetlustremmer bij de behandeling van ernstig overgewicht (obesitas). Het maakt serotonine vrij uit neurale opslagplaatsen en blokkeert presynaptische heropname, net als MDMA dat doet (Coccaro e.a. 1989; Kaplan e.a. 1994; Myers e.a. 1994). Mogelijke bijeffecten lijken op die van amfetamines: droge mond, angstgevoelens en verminderde stemming. Ondanks dat fenfluramine doorgaans niet de euforie induceert als amfetamines dat doen, is een verbeterde stemming en ook euforie wel als bijeffect beschreven (Kaplan e.a. 1994; Myers e.a. 1994). Aangetoond is dat fenfluramine tot vijfmaal meer serotonerge schade veroorzaakt dan MDMA (Kosten en Price 1992; Liester e.a. 1992; Myers e.a. 1994; Green e.a. 1995; Heuther e.a. 1997; Hegadoren e.a. 1999). In de discussie omtrent de legalisering van MDMA, ofwel de plaatsing van MDMA op Schedule 4 waar ook fenfluramine is geplaatst, komen de volgende argumenten naar voren.
Onderzoekers die van mening zijn dat de Schedule I registratie van MDMA gehandhaafd moet blijven, erkennen de toxiciteit van fenfluramine, maar noemen daarbij dat ernstige functionele consequenties (angst- en affectieve stoornissen) zijn niet gerapporteerd. Zij zijn van mening dat MDMA in tegenstelling tot fenfluramine geen medische of therapeutische meerwaarde heeft en dat MDMA, in tegenstelling tot fenfluramine, een substantieel verslavingspotentieel heeft (Price e.a. 1990; Kosten en Price 1992). Onderzoekers die MDMA zien als waardevol hulpmiddel in de therapeutische praktijk reageren hierop met de argumenten dat de medische meerwaarde van MDMA nog onderwerp van onderzoek is, waarvan de voortzetting geremd wordt door de Schedule I registratie van MDMA en dat het verslavingspotentieel van MDMA minimaal is (Grob e.a. 1990; Grob e.a. 1992; Liester e.a. 1992).

Wat zijn de fundamenten van deze argumenten? In dierproeven blijkt fenfluramine vijfmaal zo toxisch als MDMA. Toch zijn na medicinaal gebruik van fenfluramine geen ernstige functionele consequenties gerapporteerd. Dit zelfde argument kan worden geplaatst bij MDMA. In dierproeven blijkt MDMA toxisch. Ondanks intensief onderzoek naar ernstige functionele consequenties bij MDMA gebruikers zijn deze niet geïdentificeerd. De stelling dat MDMA geen therapeutische meerwaarde heeft, terwijl onderzoek naar een dergelijke meerwaarde wordt verboden, is twijfelachtig. Het argument dat fenfluramine niet en MDMA wel een verslavingspotentieel heeft, is gebaseerd op een minderheid aan aanwijzingen. Veelal is MDMA beschreven als een zelfregulerende drug, die niet verslavend is. Bij herhaaldelijk gebruik van MDMA nemen de gewenste effecten af. Hogere dosis zijn nodig om euforie te bereiken en hierbij nemen de ongewenste effecten toe (Beck en Morgan 1986; Greer en Tolbert 1986; Grinspoon en Bakalar 1986; Hayner en McKinney 1986; Siegel 1986; Wolfson 1986; Peroutka e.a. 1988; van Brussel 1991; Grob e.a. 1990; Henry 1992; Pallanti en Mazzi 1992; Hermle e.a. 1993; Solowij e.a. 1992; Solowij 1993; Steele e.a. 1994; van de Wijngaart e.a. 1997; Kovar 1998). In enkele gevallen is MDMA beschreven als verslavend. In twee casusbeschrijvingen is ‘chasing the high’ volgens McCann e.a. (1991) een indicatie dat MDMA verslavend is. Eén van deze twee personen heeft driemaal MDMA gebruikt, waarmee de conclusie dat MDMA verslavend is te vroeg lijkt getrokken. De andere persoon gebruikt tweeënhalf jaar MDMA in toenemende hoeveelheden, met als doel intra- en interpersoonlijke problematiek op te lossen. Jansen (1999) beschrijft drie personen die ondanks ernstige klachten het MDMA gebruik niet onderbreken. Bij hen is sprake van aanzienlijk polygebruik, waaronder dagelijks excessief alcoholgebruik en regelmatig tot dagelijks gebruik van amfetamines, benzodiazepines, cannabis, cocaïne en heroïne. Het verslavingspotentieel van MDMA lijkt aan de hand van deze casusbeschrijvingen moeilijk te definiëren.

In de ‘fenfluraminediscussie’ lijken niet de feiten doorslaggevend, maar een moraal. MDMA wordt recreatief gebruikt, ofwel: MDMA is een drug.

Category: Uitgaansdrugs en veilig uitgaan
File Size: 284.01 KB